De ouder waarbij de minderjarige niet gewoonlijk verblijft, dus niet zijn hoofdverblijfplaats heeft, heeft recht op omgang. Een vaak voorkomende omgangsregeling is een regeling van één weekend per veertien dagen en tevens de helft van de schoolvakanties en feestdagen. Afhankelijk van de leeftijd van de kinderen kan een omgangsweekend op vrijdag of zaterdag beginnen. Bij jonge kinderen vindt er buiten het omgangsweekend soms ook door de week, op bijvoorbeeld de woensdagmiddag, omgang plaats. Overigens bent u vrij om in onderling overleg een andere omgangsregeling overeen te komen, maar een andere dan de hiervoor genoemde regeling stuit vaak op grote praktische problemen.
Indien u geen overeenstemming kunt bereiken over een omgangsregeling, kunt u ook de rechter verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen. In eerste instantie zal de rechter proberen om tijdens de mondelinge behandeling alsnog overeenstemming te bereiken over de omgangsregeling, soms vindt er tijdens de zitting zelfs bemiddeling door de Raad voor de Kinderbescherming plaats. Indien geen overeenstemming wordt bereikt, zal de rechter zelf een omgangsregeling vast stellen. Soms laat de rechter zich hierbij adviseren door de Raad voor de Kinderbescherming. Deze zal dan een onderzoek instellen en de rechter adviseren over de omgangsregeling. In de paragraaf “Onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming” wordt in grote lijnen beschreven hoe zo’n onderzoek in zijn werk gaat.
In uitzonderingsgevallen stelt een rechter geen omgangsregeling vast. In beginsel moet omgang, maar er wordt geen omgangsregeling vastgesteld indien:
U kunt verweer voeren tegen de vaststelling van een omgangsregeling, indien één van de hiervoor genoemde redenen geldt. In een dergelijke situatie zal de rechter zich bijna altijd laten voorlichten door de Raad voor de Kinderbescherming alvorens een beslissing nemen.
De ouder die recht heeft op omgang heeft tevens een recht op informatie. Dit betreft informatie over de opvoeding, school, medische zaken en het vermogen van het minderjarige kind. Indien de ene ouder de andere niet van informatie voorziet, kan de rechter op verzoek een informatieregeling vaststellen.